Geschiedenis van de wooncooperatie

De coöperatie is een Britse uitvinding. In 1760 werden reeds coöperatieve meelfabrieken geopend. Die coöperatieve gedachte lag in 1867 ook ten grondslag aan de oprichting van een woningbouwvereniging in Rochdale, wat wordt gezien als de oorsprong van de sociale woningbouw door woningcorporaties.

De kerk ontmoedigde coöperaties of probeerde ze onder controle te krijgen. Al eeuwen had de kerk de armenzorg op zich genomen. Het zag de socialistische coöperaties daarom als een vorm van kritiek, te meer omdat het socialisme sterk tegen de invloed van de geestelijken was. Bovendien was het doel van de armenzorg kerkbezoek, terwijl het doel van de coöperatie emancipatie van de arbeider was.

Nederland kent slechts enkele vastgoedcoöperaties. Deze stammen uit het begin van de vorige eeuw. Voor de tweede wereldoorlog kwam de coöperatievorm op het gebied van de volkshuisvesting veel voor. Slechts enkele zijn tot op heden coöperatie gebleven; het overgrote deel is getransformeerd of opgegaan in gewone verenigingen of stichtingen, de latere woningcorporaties of toegelaten instellingen.

Hofjestypologie

Hofjes zijn een voorbeeld van sociale zorg in de middeleeuwen. Het zijn dicht bij elkaar staande huisjes aan een gemeenschappelijke binnenplaats, bij testament gesticht door particulieren en bestemd voor arme, oude mensen. Soms waren ze onderdeel van de sociale voorzieningen voor leden van een bepaalde kerk of andere doelgroepen zoals schippers, hofpersoneel of onderofficieren. Soms deed een hofje ook dienst als herberg voor reizigers. Vele hofjes hadden een portier die de poorten sloot, deze portier was in dienst van de stichting die het hofje beheerde. De stichting werd bestuurd door rijke heren en dames: de regenten. Deze regenten wezen ook de woningen toe. Vaak hebben de poorten van liefdadigheidshofjes een ‘poortgebouw’ (een gebouw bij de entree), in dit apart gebouw bevindt zich de regentenkamer, een plek waar de regenten vergaderden.

De stichters van hofjes waren vaak kinderloze mannen of vrouwen die hun geld na hun dood zinvol wilden besteden. Door hun naam aan een hofje te verbinden, bereikten zij dat hun naam bleef voortbestaan. Ook hoopten de rijken door aan liefdadigheid te doen een plek in de hemel te verwerven.

Proveniers waren ouderen die zich hadden ingekocht om een verzorgde oude dag te hebben.

Naoberschap

Een Drents dialect voor nabuurschap, is een kleine sociale gemeenschap van noabers (buren). Iedere noaber heeft in het noaberschap een zogenaamde noaberplicht. Dit is de verplichting de andere noabers desgewenst met raad en daad bij te staan.

Vanouds was het een heel ruime en intensieve vorm van burenhulp, die onontbeerlijk was voor de bewoners van boerderijen en in dorpen die niet kunnen rekenen op goede openbare voorzieningen. Het is vooral een begrip dat bekend is in de Achterhoek, Twente en andere delen van Overijssel, in Drenthe, maar is evenzeer in het westen van Duitsland te vinden

Daarnaast heb je ook vaak de noaste noaber, ook wel de eerste noaber. Dat is doorgaans de meest nabije buur. Deze noaste noaber heeft een nog sterkere noaberplicht. Deze buur verzorgt jouw planten, post en soms zelfs je huisdieren als je op vakantie bent. Ook ondersteunt hij of zij in kleine zaken bij ziekte en bij overlijden en verzorgt of regelt hij uit naam van alle noabers voor een fruitmand, rouwkrans, Abraham, Sara etc.